Remove Ads

German

Detailed Translations for ausgeben from German to Dutch

ausgeben:

ausgeben verb (gebe aus, gibst aus, gibt aus, gab aus, gabt aus, ausgegeben)

  1. ausgeben (spendieren)
    besteden; doorbrengen; slijten
    • besteden verb (besteed, besteedt, besteedde, besteedden, besteed)
    • doorbrengen verb (breng door, brengt door, bracht door, brachten door, doorgebracht)
    • slijten verb (slijt, sleet, sleten, gesleten)
  2. ausgeben (spendieren; aufwenden)
    besteden; uitgeven; spenderen
    • besteden verb (besteed, besteedt, besteedde, besteedden, besteed)
    • uitgeven verb
    • spenderen verb (spendeer, spendeert, spendeerde, spendeerden, gespendeerd)
  3. ausgeben (distribuieren; verteilen; überreichen; )
    distribueren; verdelen; uitreiken; ronddelen
    • distribueren verb (distribueer, distribueert, distribueerde, distribueerden, gedistribueerd)
    • verdelen verb (verdeel, verdeelt, verdeelde, verdeelden, verdeeld)
    • uitreiken verb (reik uit, reikt uit, reikte uit, reikten uit, uitgereikt)
    • ronddelen verb (deel rond, deelt rond, deelde rond, deelden rond, rondgedeeld)
  4. ausgeben (ausbringen; herausbringen; abgeben; erstatten)
    uitgeven; uitbrengen
    • uitgeven verb
    • uitbrengen verb (breng uit, brengt uit, bracht uit, brachten uit, uitgebracht)
  5. ausgeben (hergeben; vergeben; schenken; )
    vergeven; wegschenken; weggeven
    • vergeven verb (vergeef, vergeeft, vergaf, vergaven, vergeven)
    • wegschenken verb (schenk weg, schenkt weg, schonk weg, schonken weg, weggeschonken)
    • weggeven verb (geef weg, geeft weg, gaf weg, gaven weg, weggegeven)
  6. ausgeben (ausschütten)
    uitkeren
    • uitkeren verb (keer uit, keert uit, keerde uit, keerden uit, uitgekeerd)
  7. ausgeben (verschaffen)
    verstrekken
    • verstrekken verb (verstrek, verstrekt, verstrekte, verstrekten, verstrekt)
  8. ausgeben (überstehen; vertragen; bestehen; )
    doorstaan; verdragen; doorleven; verteren; verduren
    • doorstaan verb (doorsta, doorstaat, doorstond, doorstonden, doorgestaan)
    • verdragen verb (verdraag, verdraagt, verdroeg, verdroegen, verdragen)
    • doorleven verb
    • verteren verb (verteer, verteert, verteerde, verteerden, verteerd)
    • verduren verb (verduur, verduurt, verduurde, verduurden, verduurd)
  9. ausgeben
  10. ausgeben

Conjugations for ausgeben:

Präsens
  1. gebe aus
  2. gibst aus
  3. gibt aus
  4. geben aus
  5. gebt aus
  6. geben aus
Imperfekt
  1. gab aus
  2. gabst aus
  3. gab aus
  4. gaben aus
  5. gabt aus
  6. gaben aus
Perfekt
  1. habe ausgegeben
  2. hast ausgegeben
  3. hat ausgegeben
  4. haben ausgegeben
  5. habt ausgegeben
  6. haben ausgegeben
1. Konjunktiv [1]
  1. gebe aus
  2. gebest aus
  3. gebe aus
  4. geben aus
  5. gebet aus
  6. geben aus
2. Konjunktiv
  1. gäbe aus
  2. gäbest aus
  3. gäbe aus
  4. gäben aus
  5. gäbet aus
  6. gäben aus
Futur 1
  1. werde ausgeben
  2. wirst ausgeben
  3. wird ausgeben
  4. werden ausgeben
  5. werdet ausgeben
  6. werden ausgeben
1. Konjunktiv [2]
  1. würde ausgeben
  2. würdest ausgeben
  3. würde ausgeben
  4. würden ausgeben
  5. würdet ausgeben
  6. würden ausgeben
Diverses
  1. geb aus!
  2. gebt aus!
  3. geben Sie aus!
  4. ausgegeben
  5. ausgebend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

ausgeben adj

  1. ausgeben (weggegeben)

Synonyms for "ausgeben":


External Machine Translations:
Images:

Related Translations for ausgeben



Remove Ads

Remove Ads