German
Detailed Translations for merken from German to Dutch
merken:
-
merken (ankreuzen; markieren; kennzeichnen; zeichnen)
-
merken (bemerken; wahrnehmen; signalisieren; feststellen; spüren)
-
merken (spüren; fühlen; sehen; beobachten; bemerken; wahrnehmen; erkennen; feststellen; entdecken)
-
merken (erleben; erfahren; wahrnehmen; durchmachen; feststellen)
-
merken (bemerken; wahrnehmen; spüren)
-
merken (zu Ohren kommen)
lucht krijgen van-
lucht krijgen van verb (krijg lucht van, krijgt lucht van, kreeg lucht van, kregen lucht van, lucht gekregen van)
-
-
merken (vorfühlen; fühlen; spüren; erfahren; tasten; wahrnehmen; vernehmen)
Conjugations for merken:
Präsens
- merke
- merkst
- merkt
- merken
- merkt
- merken
Imperfekt
- merkte
- merktest
- merkte
- merkten
- merktet
- merkten
Perfekt
- habe gemerkt
- hast gemerkt
- hat gemerkt
- haben gemerkt
- habt gemerkt
- haben gemerkt
1. Konjunktiv [1]
- merke
- merkest
- merke
- merken
- merket
- merken
2. Konjunktiv
- merkte
- merktest
- merkte
- merkten
- merktet
- merkten
Futur 1
- werde merken
- wirst merken
- wird merken
- werden merken
- werdet merken
- werden merken
1. Konjunktiv [2]
- würde merken
- würdest merken
- würde merken
- würden merken
- würdet merken
- würden merken
Diverses
- merk!
- merkt!
- merken Sie!
- gemerkt
- merkend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie
Synonyms for "merken":
External Machine Translations:
Images: