Remove Ads

English

Detailed Translations for apprehend from English to Dutch

apprehend:

apprehend verb

  1. apprehend (arrest; pick up; hold; )
    aanhouden; arresteren; gevangennemen; oppakken; inrekenen
    • aanhouden verb (houd aan, houdt aan, hield aan, hielden aan, aangehouden)
    • arresteren verb (arresteer, arresteert, arresteerde, arresteerden, gearresteerd)
    • oppakken verb (pak op, pakt op, pakte op, pakten op, opgepakt)
    • inrekenen verb (reken in, rekent in, rekende in, rekenden in, ingerekend)
  2. apprehend (be afraid of)
    duchten
    • duchten verb (ducht, duchtte, duchtten, geducht)
  3. apprehend (worry; fear; dread; be uneasy)
    bezorgd wezen; in zorg zijn

Related Words for "apprehend":

  • apprehending

Synonyms for "apprehend":


Related Definitions for "apprehend":

  1. get the meaning of something1
  2. take into custody1
  3. anticipate with dread or anxiety1

External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads