Remove Ads

English

Detailed Translations for arise from English to Dutch

arise:

to arise verb (arises, arised, arising)

  1. to arise (show up; occur; attend; )
    opkomen; verschijnen; opduiken; opdagen
    • opkomen verb (kom op, komt op, kwam op, kwamen op, opgekomen)
    • verschijnen verb (verschijn, verschijnt, verscheen, verschenen, verschenen)
    • opduiken verb (duik op, duikt op, dook op, doken op, opgedoken)
    • opdagen verb (daag op, daagt op, daagde op, daagden op, opgedaagd)
  2. to arise
    oprijzen; rijzen
    • oprijzen verb (rijs op, rijst op, rees op, rezen op, opgerezen)
    • rijzen verb (rijs, rijst, rees, rezen, gerezen)
  3. to arise
    oprijzen; rijzen; omhoogrijzen
    • oprijzen verb (rijs op, rijst op, rees op, rezen op, opgerezen)
    • rijzen verb (rijs, rijst, rees, rezen, gerezen)
    • omhoogrijzen verb (rijs omhoog, rijst omhoog, rees omhoog, rezen omhoog, omhooggerezen)
  4. to arise (increase; rise; expand; )
    groeien; toenemen; stijgen; vermeerderen; groter worden; aanwinnen; aangroeien; aanzwellen; opzetten; aanwassen; gedijen; de hoogte ingaan; omhooggaan
    • groeien verb (groei, groeit, groeide, groeiden, gegroeid)
    • toenemen verb (neem toe, neemt toe, nam toe, namen toe, toegenomen)
    • stijgen verb (stijg, stijgt, steeg, stegen, gestegen)
    • vermeerderen verb (vermeerder, vermeerdert, vermeerderde, vermeerderden, vermeerd)
    • groter worden verb (word groter, wordt groter, werd groter, werden groter, groter geworden)
    • aanwinnen verb (win aan, wint aan, won aan, wonnen aan, aangewonnen)
    • aangroeien verb (groei aan, groeit aan, groeide aan, groeiden aan, aangegroeid)
    • aanzwellen verb (zwel aan, zwelt aan, zwol aan, zwollen aan, aangezwollen)
    • opzetten verb (zet op, zette op, zetten op, opgezet)
    • aanwassen verb (was aan, wast aan, waste aan, wasten aan, aangewassen)
    • gedijen verb (gedij, gedijt, gedijde, gedijden, gedijd)
    • de hoogte ingaan verb (ga de hoogte in, gaat de hoogte in, ging de hoogte in, gingen de hoogte in, de hoogte ingegeaan)
    • omhooggaan verb (ga omhoog, gaat omhoog, ging omhoog, gingen omhoog, omhooggegaan)
  5. to arise (happen; occur; take place)
    gebeuren; plaats vinden; geschieden; plaats hebben
  6. to arise (stand up; rise; rise up; ascent)
    opstaan; rijzen; omhoogrijzen; gaan staan
    • opstaan verb (sta op, staat op, stond op, stonden op, opgestaan)
    • rijzen verb (rijs, rijst, rees, rezen, gerezen)
    • omhoogrijzen verb (rijs omhoog, rijst omhoog, rees omhoog, rezen omhoog, omhooggerezen)
    • gaan staan verb
  7. to arise (occur)
    ontspinnen
    • ontspinnen verb (ontspin, ontspint, ontspon, ontsponnen, ontsponnen)

Conjugations for arise:

present
  1. arise
  2. arise
  3. arises
  4. arise
  5. arise
  6. arise
simple past
  1. arised
  2. arised
  3. arised
  4. arised
  5. arised
  6. arised
present perfect
  1. have arised
  2. have arised
  3. has arised
  4. have arised
  5. have arised
  6. have arised
past continuous
  1. was arising
  2. were arising
  3. was arising
  4. were arising
  5. were arising
  6. were arising
future
  1. shall arise
  2. will arise
  3. will arise
  4. shall arise
  5. will arise
  6. will arise
continuous present
  1. am arising
  2. are arising
  3. is arising
  4. are arising
  5. are arising
  6. are arising
subjunctive
  1. be arised
  2. be arised
  3. be arised
  4. be arised
  5. be arised
  6. be arised
diverse
  1. arise!
  2. let's arise!
  3. arised
  4. arising
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

Related Words for "arise":


Synonyms for "arise":


Antonyms for "arise":


Related Definitions for "arise":

  1. get up and out of bed1
  2. result or issue1
  3. move upward1
  4. rise to one's feet1
  5. take part in a rebellion; renounce a former allegiance1
  6. come into existence; take on form or shape1
  7. originate or come into being1

External Machine Translations:
Images:

Related Translations for arise



Remove Ads

Remove Ads