Remove Ads

Spanish

Detailed Translations for suceder from Spanish to Dutch

suceder:

suceder [el ~] noun

  1. el suceder

suceder verb

  1. suceder (ir tras de; seguir; cumplir)
    opvolgen; volgen; navolgen
    • opvolgen verb (volg op, volgt op, volgde op, volgden op, opgevolgd)
    • volgen verb (volg, volgt, volgde, volgden, gevolgd)
    • navolgen verb (volg na, volgt na, volgde na, volgden na, nagevolgd)
  2. suceder (ocurrir; pasar; efectuarse; acontecer)
    gebeuren; voorvallen; voordoen; plaatsvinden; plaats hebben; passeren
    • gebeuren verb
    • voorvallen verb (val voor, valt voor, viel voor, vielen voor, voorgevallen)
    • voordoen verb (doe voor, doet voor, deed voor, deden voor, voorgedaan)
    • plaatsvinden verb (vind plaats, vindt plaats, vond plaats, vonden plaats, plaatsgevonden)
    • plaats hebben verb (heb plaats, hebt plaats, had plaats, hadden plaats, plaats gehad)
    • passeren verb (passeer, passeert, passeerde, passeerden, gepasseerd)
  3. suceder (acontecer; ocurrir)
    gebeuren; voorkomen; zich voordoen; plaats hebben
  4. suceder (obedecer; seguir; escuchar; )
    gehoorzamen; luisteren
    • gehoorzamen verb (gehoorzaam, gehoorzaamt, gehoorzaamde, gehoorzaamden, gehoorzaamd)
    • luisteren verb (luister, luistert, luisterde, luisterden, geluisterd)
  5. suceder (cerrar; pasar; cerrarse; )
    afsluiten; sluiten; toedoen; dichtdoen; toemaken
    • afsluiten verb (sluit af, sloot af, sloten af, afgesloten)
    • sluiten verb (sluit, sloot, sloten, gesloten)
    • toedoen verb (doe toe, doet toe, deed toe, deden toe, toegedaan)
    • dichtdoen verb (doe dicht, doet dicht, deed dicht, deden dicht, dichtgedaan)
    • toemaken verb
  6. suceder (ocurrir; pasar)
    overkomen
    • overkomen verb (overkom, overkomt, overkwam, overkwamen, overkomen)
  7. suceder (tener lugar; acontecer)
    plaatshebben
    • plaatshebben verb (heb plaats, hebt plaats, had plaats, hadden plaats, plaats gehad)
  8. suceder (obedecer; cumplir; seguir)
    gehoorzamen; gevolg geven aan
    • gehoorzamen verb (gehoorzaam, gehoorzaamt, gehoorzaamde, gehoorzaamden, gehoorzaamd)
    • gevolg geven aan verb (geef gevolg aan, geeft gevolg aan, gaf gevolg aan, gaven gevolg aan, gevolg gegeven aan)
  9. suceder (alzarse; levantarse; hacerse; )
    oprijzen; rijzen
    • oprijzen verb (rijs op, rijst op, rees op, rezen op, opgerezen)
    • rijzen verb (rijs, rijst, rees, rezen, gerezen)
  10. suceder (entablarse; subir; enseñar; )
    ontspinnen
    • ontspinnen verb (ontspin, ontspint, ontspon, ontsponnen, ontsponnen)

Conjugations for suceder:

presente
  1. sucedo
  2. sucedes
  3. sucede
  4. sucedemos
  5. sucedéis
  6. suceden
imperfecto
  1. sucedía
  2. sucedías
  3. sucedía
  4. sucedíamos
  5. sucedíais
  6. sucedían
indefinido
  1. sucedí
  2. sucediste
  3. sucedió
  4. sucedimos
  5. sucedisteis
  6. sucedieron
fut. de ind.
  1. sucederé
  2. sucederás
  3. sucederá
  4. sucederemos
  5. sucederéis
  6. sucederán
condic.
  1. sucedería
  2. sucederías
  3. sucedería
  4. sucederíamos
  5. sucederíais
  6. sucederían
pres. de subj.
  1. que suceda
  2. que sucedas
  3. que suceda
  4. que sucedamos
  5. que sucedáis
  6. que sucedan
imp. de subj.
  1. que sucediera
  2. que sucedieras
  3. que sucediera
  4. que sucediéramos
  5. que sucedierais
  6. que sucedieran
miscelánea
  1. ¡sucede!
  2. ¡suceded!
  3. ¡no sucedas!
  4. ¡no sucedáis!
  5. sucedido
  6. sucediendo
1. yo, 2. tú, 3. él/ella/usted, 4. nosotros/nosotras, 5. vosotros/vosotras, 6. ellos/ellas/ustedes

Synonyms for "suceder":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads