Summary
Dutch
Detailed Translations for bewaren from Dutch to English
bewaren:
-
bewaren (opslaan; deponeren)
-
bewaren (behoeden; beschermen)
-
bewaren (behouden; conserveren)
-
bewaren (wegzetten; opzij leggen)
-
bewaren (archiveren; opslaan; opbergen)
Conjugations for bewaren:
o.t.t.
- bewaar
- bewaart
- bewaart
- bewaren
- bewaren
- bewaren
o.v.t.
- bewaarde
- bewaarde
- bewaarde
- bewaarden
- bewaarden
- bewaarden
v.t.t.
- heb bewaard
- hebt bewaard
- heeft bewaard
- hebben bewaard
- hebben bewaard
- hebben bewaard
v.v.t.
- had bewaard
- had bewaard
- had bewaard
- hadden bewaard
- hadden bewaard
- hadden bewaard
o.t.t.t.
- zal bewaren
- zult bewaren
- zal bewaren
- zullen bewaren
- zullen bewaren
- zullen bewaren
o.v.t.t.
- zou bewaren
- zou bewaren
- zou bewaren
- zouden bewaren
- zouden bewaren
- zouden bewaren
diversen
- bewaar!
- bewaart!
- bewaard
- bewarend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze
-
bewaren (bergen)
Synonyms for "bewaren":
Antonyms for "bewaren":
Related Definitions for "bewaren":
External Machine Translations:
Images: