Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for greep from Dutch to English

greep:

greep [de ~ (m)] noun

  1. de greep (handgreep; handvat; handel; hendel)
    the grip
  2. de greep (vastpakken; beetnemen; beetpakken)
    the having a grip; the hold
  3. de greep (kolf)
    the butt

greep

  1. greep
    the handle
    – A user interface control that facilitates modification of an object's appearance, position, or behavior. 1

Related Words for "greep":

  • grepen, greepje, greepjes

grijpen:

grijpen verb (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)

  1. grijpen (pakken; vangen; verstrikken; vatten; klauwen)
    to catch; to grab; to seize; to capture; to trap; to grip
    • catch verb (catches, catched, catching)
    • grab verb (grabs, grabbed, grabbing)
    • seize verb (seizes, seized, seizing)
    • capture verb (captures, captured, capturing)
    • trap verb (traps, trapped, trapping)
    • grip verb (grips, gripped, gripping)
  2. grijpen (beetgrijpen; vastpakken; aanklampen; beetpakken; vastklampen)
    to grab; to clamp; to grasp; to take hold of; to clasp; to catch; to seize; to grip
    • grab verb (grabs, grabbed, grabbing)
    • clamp verb (clamps, clamped, clamping)
    • grasp verb (grasps, grasped, grasping)
    • take hold of verb (takes hold of, took hold of, taking hold of)
    • clasp verb (clasps, clasped, clasping)
    • catch verb (catches, catched, catching)
    • seize verb (seizes, seized, seizing)
    • grip verb (grips, gripped, gripping)
  3. grijpen (wegkapen; grissen; jatten; )
    to grasp; caught; to snatch; to seize; to grip; to catch; to snatch away; to drag; to clutch; to yearn; to reach; to slog away; to toil and moil; to rummage about; to rout; to clasp; to pilfer; to snout; to slave away; to stick; to root; to scratch
    • grasp verb (grasps, grasped, grasping)
    • caught verb
    • snatch verb (snatchs, snatched, snatching)
    • seize verb (seizes, seized, seizing)
    • grip verb (grips, gripped, gripping)
    • catch verb (catches, catched, catching)
    • snatch away verb (snatchs away, snatched away, snatching away)
    • drag verb (drags, dragged, dragging)
    • clutch verb (clutchs, clutched, clutching)
    • yearn verb (yearns, yearned, yearning)
    • reach verb (reachs, reached, reaching)
    • slog away verb (slogs away, slogged away, slogging away)
    • toil and moil verb (toils and moil, toiled and moiled, toiling and moiling)
    • rummage about verb (rummages about, rummaged about, rummaging about)
    • rout verb (routs, routed, routing)
    • clasp verb (clasps, clasped, clasping)
    • pilfer verb (pilfers, pilfered, pilfering)
    • snout verb (snouts, snouted, snouting)
    • slave away verb (slaves away, slaved away, slaving away)
    • stick verb (sticks, sticked, sticking)
    • root verb (roots, rooted, rooting)
    • scratch verb (scratches, scratched, scratching)
  4. grijpen (toeslaan)
    to strike
    • strike verb (strikes, struck, striking)
  5. grijpen (vastpakken; beetgrijpen; vastgrijpen; )
    to catch
    • catch verb (catches, catched, catching)
  6. grijpen (toetasten; toegrijpen; zich bedienen; ingrijpen; aanpakken)
    to seize; to serve oneself; to take; to fall to; to dive in
    • seize verb (seizes, seized, seizing)
    • serve oneself verb (serves oneself, served oneself, serving oneself)
    • take verb (takes, took, taking)
    • fall to verb (falls to, fell to, falling to)
    • dive in verb (dives in, dived in, diving in)

Conjugations for grijpen:

o.t.t.
  1. grijp
  2. grijpt
  3. grijpt
  4. grijpen
  5. grijpen
  6. grijpen
o.v.t.
  1. greep
  2. greep
  3. greep
  4. grepen
  5. grepen
  6. grepen
v.t.t.
  1. heb gegrepen
  2. hebt gegrepen
  3. heeft gegrepen
  4. hebben gegrepen
  5. hebben gegrepen
  6. hebben gegrepen
v.v.t.
  1. had gegrepen
  2. had gegrepen
  3. had gegrepen
  4. hadden gegrepen
  5. hadden gegrepen
  6. hadden gegrepen
o.t.t.t.
  1. zal grijpen
  2. zult grijpen
  3. zal grijpen
  4. zullen grijpen
  5. zullen grijpen
  6. zullen grijpen
o.v.t.t.
  1. zou grijpen
  2. zou grijpen
  3. zou grijpen
  4. zouden grijpen
  5. zouden grijpen
  6. zouden grijpen
en verder
  1. ben gegrepen
  2. bent gegrepen
  3. is gegrepen
  4. zijn gegrepen
  5. zijn gegrepen
  6. zijn gegrepen
diversen
  1. grijp!
  2. grijpt!
  3. gegrepen
  4. grijpend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

grijpen [het ~] noun

  1. het grijpen (arresteren)
    the arrest; the grab; the taking

Synonyms for "grijpen":


Antonyms for "grijpen":


Related Definitions for "grijpen":

  1. vastpakken met je hand2
    • ik greep hem bij zijn arm2



Remove Ads
Remove Ads

Remove Ads




Remove Ads