Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for zetel from Dutch to Spanish

zetel:

zetel [de ~ (m)] noun

  1. de zetel (zitplaats)
    el asiento
  2. de zetel (stoel; crapaud; gestoelte)
    la silla; el sillón; el asiento; el asiento delantero; la butaca
  3. de zetel (troon; gestoelte)
    la poltrona; el asiento; el sillón; la sede; el trono; el escaño; la silla para el salón
  4. de zetel

Related Words for "zetel":


zetel form of zetelen:

Conjugations for zetelen:

o.t.t.
  1. zetel
  2. zetelt
  3. zetelt
  4. zetelen
  5. zetelen
  6. zetelen
o.v.t.
  1. zetelde
  2. zetelde
  3. zetelde
  4. zetelden
  5. zetelden
  6. zetelden
v.t.t.
  1. heb gezeteld
  2. hebt gezeteld
  3. heeft gezeteld
  4. hebben gezeteld
  5. hebben gezeteld
  6. hebben gezeteld
v.v.t.
  1. had gezeteld
  2. had gezeteld
  3. had gezeteld
  4. hadden gezeteld
  5. hadden gezeteld
  6. hadden gezeteld
o.t.t.t.
  1. zal zetelen
  2. zult zetelen
  3. zal zetelen
  4. zullen zetelen
  5. zullen zetelen
  6. zullen zetelen
o.v.t.t.
  1. zou zetelen
  2. zou zetelen
  3. zou zetelen
  4. zouden zetelen
  5. zouden zetelen
  6. zouden zetelen
diversen
  1. zetel!
  2. zetelt!
  3. gezeteld
  4. zetelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

Related Words for "zetelen":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads