Remove Ads

Dutch

Detailed Translations for klapper from Dutch to French

klapper:

klapper [de ~ (m)] noun

  1. de klapper (zevenklapper; rotje)
  2. de klapper (hoofdboek)
    la table des matières; l'index; le registre; le cadastre
  3. de klapper (absolute meevaller; topper)
    l'aubaine; le coup de chance
  4. de klapper (knalbonbon; rotje)
    le pétard; la papillotte; le diablotin
  5. de klapper (telefoonklapper)
  6. de klapper (succesnummer; succes; hit; )
    le succè; le tube
  7. de klapper (applaudisseur)

Related Words for "klapper":


klapper form of klapperen:

klapperen verb (klapper, klappert, klapperde, klapperden, geklapperd)

  1. klapperen

Conjugations for klapperen:

o.t.t.
  1. klapper
  2. klappert
  3. klappert
  4. klapperen
  5. klapperen
  6. klapperen
o.v.t.
  1. klapperde
  2. klapperde
  3. klapperde
  4. klapperden
  5. klapperden
  6. klapperden
v.t.t.
  1. heb geklapperd
  2. hebt geklapperd
  3. heeft geklapperd
  4. hebben geklapperd
  5. hebben geklapperd
  6. hebben geklapperd
v.v.t.
  1. had geklapperd
  2. had geklapperd
  3. had geklapperd
  4. hadden geklapperd
  5. hadden geklapperd
  6. hadden geklapperd
o.t.t.t.
  1. zal klapperen
  2. zult klapperen
  3. zal klapperen
  4. zullen klapperen
  5. zullen klapperen
  6. zullen klapperen
o.v.t.t.
  1. zou klapperen
  2. zou klapperen
  3. zou klapperen
  4. zouden klapperen
  5. zouden klapperen
  6. zouden klapperen
diversen
  1. klapper!
  2. klappert!
  3. geklapperd
  4. klapperend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het/u, 4. we. 5. jullie/u, 6. zij/ze

Related Words for "klapperen":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads