Dutch

Detailed Translations for uitnemend from Dutch to Swedish

uitnemend:


Translation Matrix for uitnemend:

NounRelated TranslationsOther Translations
perfekt uitnemendheid; voortreffelijkheid
ModifierRelated TranslationsOther Translations
exellent briljant; excellent; puik; subliem; superbe; uitgelezen; uitgezocht; uitmuntend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk
förstklassigt briljant; excellent; puik; subliem; superbe; uitgelezen; uitgezocht; uitmuntend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk eerste klasse; eersteklas; eersterangs; top; tot de beste klasse behorend; uitstekend
perfekt briljant; excellent; puik; subliem; superbe; uitgelezen; uitgezocht; uitmuntend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk foutloos; ideaal; patent; perfect; uitmuntend; uitstekend; volmaakt; voortreffelijk
stor fantastisch; geweldig; grandioos; groots; magnifiek; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk breed; fors; hooggespannen; lijvig; omvangrijk; ontzettend groot; uit de kluiten gewassen; volumineus
storartat fantastisch; geweldig; grandioos; groots; magnifiek; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk glansrijk; schitterend
storslagen fantastisch; geweldig; grandioos; groots; magnifiek; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk
storslaget fantastisch; geweldig; grandioos; groots; magnifiek; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk
stort fantastisch; geweldig; grandioos; groots; magnifiek; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk aanmerkelijk; aanzienlijk; beduidend; behoorlijk; breed; dik; enorm; flink; fors; groot; groots; grootschalig; hooggespannen; lang; lijvig; omvangrijk; ontzettend groot; potig; reuze; stevig; uit de kluiten gewassen; vet; volumineus; zwaar van lijf
väldigt fantastisch; geweldig; grandioos; groots; magnifiek; schitterend; uitnemend; uitstekend; voortreffelijk gigantisch; groots; grootschalig; immens; kolossaal; onafzienbaar; reusachtig; reuze; zeer groot

Related Words for "uitnemend":


uitnemend form of uitnemen:

uitnemen [znw.] noun

  1. uitnemen
    ta ur; flytta

uitnemen verb (neem uit, neemt uit, nam uit, namen uit, uitgenomen)

  1. uitnemen
    tömma; ta ut; dra ut; lyfta ut
    • tömma verb (tömmer, tömmde, tömmt)
    • ta ut verb (tar ut, tog ut, tagit ut)
    • dra ut verb (drar ut, drog ut, dragit ut)
    • lyfta ut verb (lyftar ut, lyftade ut, lyftat ut)

Conjugations for uitnemen:

o.t.t.
  1. neem uit
  2. neemt uit
  3. neemt uit
  4. nemen uit
  5. nemen uit
  6. nemen uit
o.v.t.
  1. nam uit
  2. nam uit
  3. nam uit
  4. namen uit
  5. namen uit
  6. namen uit
v.t.t.
  1. heb uitgenomen
  2. hebt uitgenomen
  3. heeft uitgenomen
  4. hebben uitgenomen
  5. hebben uitgenomen
  6. hebben uitgenomen
v.v.t.
  1. had uitgenomen
  2. had uitgenomen
  3. had uitgenomen
  4. hadden uitgenomen
  5. hadden uitgenomen
  6. hadden uitgenomen
o.t.t.t.
  1. zal uitnemen
  2. zult uitnemen
  3. zal uitnemen
  4. zullen uitnemen
  5. zullen uitnemen
  6. zullen uitnemen
o.v.t.t.
  1. zou uitnemen
  2. zou uitnemen
  3. zou uitnemen
  4. zouden uitnemen
  5. zouden uitnemen
  6. zouden uitnemen
en verder
  1. ben uitgenomen
  2. bent uitgenomen
  3. is uitgenomen
  4. zijn uitgenomen
  5. zijn uitgenomen
  6. zijn uitgenomen
diversen
  1. neem uit!
  2. neemt uit!
  3. uitgenomen
  4. uitnemend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uitnemen:

NounRelated TranslationsOther Translations
flytta uitnemen
ta ur uitnemen
VerbRelated TranslationsOther Translations
dra ut uitnemen inspringing verkleinen
flytta bewegen; disloqueren; iets verplaatsen; omruilen; omwisselen; overplaatsen; roeren; ruilen; schuivend verplaatsen; standplaats veranderen; verhuizen; verkassen; verleggen; verplaatsen; verrijden; verschikken; verschuiven; vertillen; vervoeren; verwisselen; verzetten; voor zich uitschuiven; wisselen; zich verplaatsen
lyfta ut uitnemen
ta ur eruit nemen; nemen uit; uitlichten
ta ut uitnemen kiezen; naar buiten halen; schiften; selecteren; selectie toepassen; uithalen; uitkiezen; uitpikken; uitzoeken; ziften
tömma uitnemen afscheiden; afvoeren; ledigen; leeggieten; leeghalen; leegmaken; leegpompen; leegstorten; legen; lozen; plunderen; uitgieten; uithalen; uitknijpen; uitpersen; uitplunderen; uitpompen; uitscheiden; uitschudden; uitstoten; uitwerpen; uitzuigen