Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. parten:
  2. part:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for parten from Dutch to English

parten:

parten [de ~] noun, plural

  1. de parten (porties; stukken; delen; )
    the shares; the pieces; the segments; the parts; the portions

Translation Matrix for parten:

NounRelated TranslationsOther Translations
parts barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken
pieces barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken
portions barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken
segments barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken
shares barrels; delen; parten; partjes; porties; segmenten; stukken aandelen; actiën; effecten; waardepapieren

Related Words for "parten":


part:

part [de ~] noun

  1. de part (aandeel; deel)
    the segment; the part; the share; the section; the piece; the portion; the board
  2. de part (portie; aandeel)
    the portion; the share; the part
  3. de part (gedeelte; stuk; deel; fractie)
    the piece; the part; the section; the segment; the portion

Translation Matrix for part:

NounRelated TranslationsOther Translations
board aandeel; deel; part beheer; bestuur; directie; hoofdbestuur; kostgeld; lat; legbord; leiding; schroot; smalle plank
part aandeel; deel; fractie; gedeelte; part; portie; stuk basisbestanddeel; bestanddeel; component; deel; deeltje; element; fractie; ingrediënt; onderdeel; onderdeeltje; segment; stuk
piece aandeel; deel; fractie; gedeelte; part; stuk artikel; brokje; eindje; fragmentje; klein stukje; kleine brok; klompje; klontertje; klontje; mooi persoon; partje; plakje; schijfje; snippertje; speelstuk; stuk; stukje
portion aandeel; deel; fractie; gedeelte; part; portie; stuk basisbestanddeel; bestanddeel; bijdrage; component; contributie; deel; element; erfdeel; erfenis; fractie; ingrediënt; lidmaatschapsgeld; onderdeel; segment; stuk; wat iemand erft
section aandeel; deel; fractie; gedeelte; part; stuk afdeling; basisbestanddeel; bestanddeel; brigade; brokje; component; deel; departement; detachement; doorsnede; doorsnee; eindje; element; fractie; fragmentje; ingrediënt; klein stukje; onderdeel; partje; presentatiesectie; profiel; profielstaal; rubriek; sectie; segment; snijding; snippertje; stuk; stukje; tak
segment aandeel; deel; fractie; gedeelte; part; stuk basisbestanddeel; bestanddeel; component; deel; element; fractie; ingrediënt; onderdeel; rekeningcodesegment; segment; stuk
share aandeel; deel; part; portie aandeel; basisbestanddeel; bestanddeel; bijdrage; component; contingent; deel; element; fractie; groeifonds; inbreng; ingrediënt; onderdeel; quota; quotum; stuk
- deel; element; gedeelte; stuk
VerbRelated TranslationsOther Translations
board emballeren; enteren; herbergen; huisvesten; iemand onderdak verlenen; inpakken; inwikkelen; kartonneren; onderbrengen; onderdak geven; onderdak verschaffen; plaatsen; verpakken
part loskoppelen; scheiden; splitsen; uit elkaar gaan; uit elkaar halen; uiteengaan; uitsplitsen; van elkaar gaan
segment in segmenten verdelen; segmenteren
share delen
ModifierRelated TranslationsOther Translations
share deelachtig

Related Words for "part":


Synonyms for "part":


Antonyms for "part":


Related Definitions for "part":

  1. wat kleiner is dan het totaal1
    • ik snij de appel in partjes1

Wiktionary Translations for part:

part
noun
  1. part of something that had been divided