Dutch

Detailed Translations for klemmend from Dutch to Spanish

klemmend:


Translation Matrix for klemmend:

NounRelated TranslationsOther Translations
estrecho engte; landengte; nauwte; smalheid; smalte; zee-engte
rápido exprestrein; sneltrein
ModifierRelated TranslationsOther Translations
acuciante dringend; klemmend; met klem; met nadruk; met spoed; nadrukkelijk; spoedeisend; uitdrukkelijk; urgent beklemmend; knellend; nijpend; smartelijk
ajustado dringend; klemmend; met spoed; spoedeisend; urgent eng; gepaste; geschikte; gevat; krap; met weinig ruimte; nauw; nauwgezet; nauwkeurig; nauwsluitend; passende; precies; scherpzinnig; schrander; slim; smal; smalletjes; snedig; stipt; strak; strakgespannen; uitgeslapen; van geringe breedte
apremiante klemmend; klemzittend; knellend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk
apretado klemmend; klemzittend; knellend bekrompen; benepen; eng; gevat; in het nauw; kleingeestig; kleinzielig; meedogenloos; nauw; nauwsluitend; scherp; scherpzinnig; schrander; slim; smal; smalletjes; snedig; strak; uitgeslapen; van geringe breedte; vlijmend; vlijmscherp; wreed
categórica klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk
con insistencia klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk doordringend; indringend; schel klinkend; scherp
con rapidez dringend; klemmend; met spoed; spoedeisend; urgent rap; snel; vlot; vlug
con énfasis klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk doordringend; indringend; schel klinkend; scherp
concienzudo klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk accuraat; conscientieus; degelijk; deugdelijk; gedegen; gedetailleerd; grondig; met grote juistheid; met zorg; minutieus; nauwgezet; nauwkeurig; net; precies; secuur; stipt; van goede hoedanigheid; zorgvuldig
contundente afdoend; klemmend; overtuigend
convincente afdoend; klemmend; overtuigend aannemelijk; degelijk; gefundeerd; gegrond; logisch; op goede gronden steunend; overredend; solide; steekhoudend
de modo expreso klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk
enfático dringend; klemmend; met klem; met nadruk; met spoed; nadrukkelijk; spoedeisend; uitdrukkelijk; urgent
especificado klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk
estrecho dringend; klemmend; met spoed; spoedeisend; urgent bekrompen; benepen; eng; hokkerig; kleinburgerlijk; kleingeestig; kleinzielig; knijperig; krap bij kas; nauw; smal; smalletjes; van geringe breedte
explícitamente klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk
explícito klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk eenduidig; expliciet; geprononceerd; krachtig; markant; nadrukkelijk; ondubbelzinnig; onmiskenbaar; uitgesproken
expresamente klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk bepaaldelijk; expres; met opzet; moedwillig; opzettelijk; voorbedacht
insistente klemmend; met klem; met nadruk; nadrukkelijk; uitdrukkelijk
persuasivo afdoend; klemmend; overtuigend aannemelijk; acceptabel; geloofwaardig; overredend; plausibel; waarschijnlijk
rápidamente dringend; klemmend; met spoed; spoedeisend; urgent aanstonds; direct; directe; dra; eerstdaags; flitsend; gauw; grif; grifweg; haastig; hip; ijlings; met gemak; onverwijld; rap; snel; spoedig; terstond; trendy; vlot; vlug; weldra
rápido dringend; klemmend; met spoed; spoedeisend; urgent dra; eerstdaags; flitsend; gauw; grif; grifweg; haastig; hip; ijlings; met gemak; rap; snel; snelzeilend; spoedig; trendy; vingervlug; vlot; vlug; weldra
urgente dringend; klemmend; met spoed; spoedeisend; urgent acuut; broodnodig; hoognodig
urgentísimo dringend; klemmend; met spoed; spoedeisend; urgent broodnodig; hoognodig

klemmend form of klemmen:

Conjugations for klemmen:

o.t.t.
  1. klem
  2. klemt
  3. klemt
  4. klemmen
  5. klemmen
  6. klemmen
o.v.t.
  1. klemde
  2. klemde
  3. klemde
  4. klemden
  5. klemden
  6. klemden
v.t.t.
  1. heb geklemd
  2. hebt geklemd
  3. heeft geklemd
  4. hebben geklemd
  5. hebben geklemd
  6. hebben geklemd
v.v.t.
  1. had geklemd
  2. had geklemd
  3. had geklemd
  4. hadden geklemd
  5. hadden geklemd
  6. hadden geklemd
o.t.t.t.
  1. zal klemmen
  2. zult klemmen
  3. zal klemmen
  4. zullen klemmen
  5. zullen klemmen
  6. zullen klemmen
o.v.t.t.
  1. zou klemmen
  2. zou klemmen
  3. zou klemmen
  4. zouden klemmen
  5. zouden klemmen
  6. zouden klemmen
en verder
  1. is geklemd
diversen
  1. klem!
  2. klemt!
  3. geklemd
  4. klemmend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for klemmen:

NounRelated TranslationsOther Translations
agarrar aangrijpen; aanklampen; aanpakken; aanvatten; beetnemen; beetpakken; greep; vastpakken
enganchar vasthaken
escurrir afdruipen; afdruppelen; uitdruipen; uitdruppelen
VerbRelated TranslationsOther Translations
abrazarse a klemmen; knellen; omklemmen klampen
agarrar klemmen; knellen; omklemmen aangrijpen; aanklampen; aanpakken; beetgrijpen; beetnemen; beetpakken; binden; boeien; graaien; grabbelen; grijpen; inhaken; ketenen; klauwen; kluisteren; ontroeren; pakken; snuffelen; vangen; vastgrijpen; vastklampen; vastnemen; vastpakken; vatten; verneuken; verstrikken
agarrotarse klemmen; knellen; omklemmen verstarren; verstenen; verstijven
atrancar klemmen; knellen; omklemmen
clavar con alfileres klemmen; knellen; omklemmen pinnen; spelden
darse por aludido klemmen; knellen; omklemmen
encajar klemmen; knellen; omklemmen aanpraten; aansmeren; bijpassen; deponeren; ineenschuiven; inpassen; leggen; neerleggen; onderuit halen; passen; passen in; plaatsen; zetten
enganchar klemmen; knellen; omklemmen aanhaken; aanhangen; aankoppelen; haken; hechten; krammen; lijmen; met een kram vastmaken; opplakken; ronselen; vasthaken; vasthechten; vastkoppelen; vastlijmen; vastplakken; voorspannen
escurrir klemmen; knellen; omklemmen afgieten; droppen; druipen; druppelen; druppels laten vallen; druppen; met iemand worstelen; uitwringen; worstelen; wringen
estrechar klemmen; knellen; omklemmen insnoeren; klampen; vernauwen; versmallen
estrujar klemmen; knellen; omklemmen bedenken; comprimeren; fantaseren; fijnmaken; kreukelen; kreuken; leegknijpen; persen; platdrukken; samendrukken; samenpersen; uitdenken; uitpersen; verbrijzelen; verdichten; verfromfraaien; verfrommelen; vergruizen; verkreukelen; vermorzelen; verpletteren; verzinnen; voorwenden
pillar klemmen; knellen; omklemmen beroven; betrappen; graaien; grabbelen; leeghalen; leegplunderen; plunderen; roven; snappen; snuffelen; uitknijpen; uitpersen; uitplunderen; uitzuigen
retorcer klemmen; knellen; omklemmen met iemand worstelen; uitwringen; verwringen; worstelen; wriggelen; wrikken; wringen
sujetar en klemmen; knellen; omklemmen

Related Words for "klemmen":


Wiktionary Translations for klemmen:


Cross Translation:
FromToVia
klemmen exprimir; apretar squeeze — to apply pressure to from two or more sides at once
klemmen pinchar; pellizcar; pinzar; coger con pinzas; apretar pincerserrer fortement avec une pince, avec des tenailles ou autres instruments semblables.