Remove Ads

German

Detailed Translations for erleben from German to Dutch

erleben:

erleben verb (erlebe, erlebst, erlebt, erlebte, erlebtet, erlebt)

  1. erleben (erfahren; wahrnehmen; durchmachen; feststellen; merken)
    ondervinden; ervaren; beleven; gewaarworden; voelen
    • ondervinden verb (ondervind, ondervindt, ondervond, ondervonden, ondervonden)
    • ervaren verb (ervaar, ervaart, ervaarde, ervaarden, ervaard)
    • beleven verb (beleef, beleeft, beleefde, beleefden, beleefd)
    • gewaarworden verb (word gewaar, wordt gewaar, werd gewaar, werden gewaar, gewaargeworden)
    • voelen verb (voel, voelt, voelde, voelden, gevoeld)
  2. erleben (durchmachen; mitmachen; miterleben)
    doormaken
    • doormaken verb (maak door, maakt door, maakte door, maakten door, doorgemaakt)
  3. erleben (überstehen; vertragen; bestehen; )
    doorstaan; verdragen; doorleven; verteren; verduren
    • doorstaan verb (doorsta, doorstaat, doorstond, doorstonden, doorgestaan)
    • verdragen verb (verdraag, verdraagt, verdroeg, verdroegen, verdragen)
    • doorleven verb
    • verteren verb (verteer, verteert, verteerde, verteerden, verteerd)
    • verduren verb (verduur, verduurt, verduurde, verduurden, verduurd)
  4. erleben (erfahren)

Conjugations for erleben:

Präsens
  1. erlebe
  2. erlebst
  3. erlebt
  4. erleben
  5. erlebt
  6. erleben
Imperfekt
  1. erlebte
  2. erlebtest
  3. erlebte
  4. erlebten
  5. erlebtet
  6. erlebten
Perfekt
  1. habe erlebt
  2. hast erlebt
  3. hat erlebt
  4. haben erlebt
  5. habt erlebt
  6. haben erlebt
1. Konjunktiv [1]
  1. erlebe
  2. erlebest
  3. erlebe
  4. erleben
  5. erlebet
  6. erleben
2. Konjunktiv
  1. erlebte
  2. erlebtest
  3. erlebte
  4. erlebten
  5. erlebtet
  6. erlebten
Futur 1
  1. werde erleben
  2. wirst erleben
  3. wird erleben
  4. werden erleben
  5. werdet erleben
  6. werden erleben
1. Konjunktiv [2]
  1. würde erleben
  2. würdest erleben
  3. würde erleben
  4. würden erleben
  5. würdet erleben
  6. würden erleben
Diverses
  1. erleb!
  2. erlebt!
  3. erleben Sie!
  4. erlebt
  5. erlebend
1. ich, 2. du/Sie, 3. er/sie/es, 4. wir, 5. ihr/Sie, 6. sie

Synonyms for "erleben":


External Machine Translations:
Images:


Remove Ads

Remove Ads