Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. uitwonen:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for uitgewoond from Dutch to German

uitgewoond form of uitwonen:

uitwonen verb (woon uit, woont uit, woonde uit, woonden uit, uitgewoond)

  1. uitwonen
    abwohnen; verwohnen
    • abwohnen verb (wohne ab, wohnst ab, wohnt ab, wohnte ab, wohntet ab, abgewohnt)
    • verwohnen verb (verwohne, verwohnst, verwohnt, verwohnte, verwohntet, verwohnt)

Conjugations for uitwonen:

o.t.t.
  1. woon uit
  2. woont uit
  3. woont uit
  4. wonen uit
  5. wonen uit
  6. wonen uit
o.v.t.
  1. woonde uit
  2. woonde uit
  3. woonde uit
  4. woonden uit
  5. woonden uit
  6. woonden uit
v.t.t.
  1. ben uitgewoond
  2. bent uitgewoond
  3. is uitgewoond
  4. zijn uitgewoond
  5. zijn uitgewoond
  6. zijn uitgewoond
v.v.t.
  1. was uitgewoond
  2. was uitgewoond
  3. was uitgewoond
  4. waren uitgewoond
  5. waren uitgewoond
  6. waren uitgewoond
o.t.t.t.
  1. zal uitwonen
  2. zult uitwonen
  3. zal uitwonen
  4. zullen uitwonen
  5. zullen uitwonen
  6. zullen uitwonen
o.v.t.t.
  1. zou uitwonen
  2. zou uitwonen
  3. zou uitwonen
  4. zouden uitwonen
  5. zouden uitwonen
  6. zouden uitwonen
diversen
  1. woon uit!
  2. woont uit!
  3. uitgewoond
  4. uitwonend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uitwonen:

VerbRelated TranslationsOther Translations
abwohnen uitwonen
verwohnen uitwonen


Wiktionary Translations for uitgewoond:


Cross Translation:
FromToVia
uitgewoond abgelebt; baufällig; gebrechlich; hinfällig; verfallen caduc — (botanique) Se dit d’un organe, notamment les feuilles, se détachant et tombant chaque année.
uitgewoond alt; bejahrt; betagt; abgelebt; baufällig; gebrechlich; hinfällig vieux — D’un certain âge (relatif à un autre).