Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. ineenslaan:


Dutch

Detailed Translations for ineenslaan from Dutch to German

ineenslaan:

ineenslaan verb (sla ineen, slaat ineen, sloeg ineen, sloegen ineen, ineengeslagen)

  1. ineenslaan (tegen elkaar slaan)
    zusammenschlagen; gegenseitig schlagen

Conjugations for ineenslaan:

o.t.t.
  1. sla ineen
  2. slaat ineen
  3. slaat ineen
  4. slaan ineen
  5. slaan ineen
  6. slaan ineen
o.v.t.
  1. sloeg ineen
  2. sloeg ineen
  3. sloeg ineen
  4. sloegen ineen
  5. sloegen ineen
  6. sloegen ineen
v.t.t.
  1. ben ineengeslagen
  2. bent ineengeslagen
  3. is ineengeslagen
  4. zijn ineengeslagen
  5. zijn ineengeslagen
  6. zijn ineengeslagen
v.v.t.
  1. was ineengeslagen
  2. was ineengeslagen
  3. was ineengeslagen
  4. waren ineengeslagen
  5. waren ineengeslagen
  6. waren ineengeslagen
o.t.t.t.
  1. zal ineenslaan
  2. zult ineenslaan
  3. zal ineenslaan
  4. zullen ineenslaan
  5. zullen ineenslaan
  6. zullen ineenslaan
o.v.t.t.
  1. zou ineenslaan
  2. zou ineenslaan
  3. zou ineenslaan
  4. zouden ineenslaan
  5. zouden ineenslaan
  6. zouden ineenslaan
en verder
  1. heb ineengeslagen
  2. hebt ineengeslagen
  3. heeft ineengeslagen
  4. hebben ineengeslagen
  5. hebben ineengeslagen
  6. hebben ineengeslagen
diversen
  1. sla ineen!
  2. slaat ineen!
  3. ineengeslagen
  4. ineenslagend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for ineenslaan:

VerbRelated TranslationsOther Translations
gegenseitig schlagen ineenslaan; tegen elkaar slaan
zusammenschlagen ineenslaan; tegen elkaar slaan 'n aframmeling geven; aframmelen; afranselen; afrossen; aftuigen; in elkaar rammen; in elkaar timmeren; ineentimmeren; timmerend in elkaar zetten; toetakelen