Summary
Dutch to German:   more detail...
  1. vastrijden:


Dutch

Detailed Translations for vastrijden from Dutch to German

vastrijden:

vastrijden verb (rijd vast, rijdt vast, reed vast, reden vast, vastgereden)

  1. vastrijden (klemrijden)
    festfahren
    • festfahren verb (fahre fest, fährst fest, fährt fest, fuhr fest, fuhrt fest, festgefahren)

Conjugations for vastrijden:

o.t.t.
  1. rijd vast
  2. rijdt vast
  3. rijdt vast
  4. rijden vast
  5. rijden vast
  6. rijden vast
o.v.t.
  1. reed vast
  2. reed vast
  3. reed vast
  4. reden vast
  5. reden vast
  6. reden vast
v.t.t.
  1. heb vastgereden
  2. hebt vastgereden
  3. heeft vastgereden
  4. hebben vastgereden
  5. hebben vastgereden
  6. hebben vastgereden
v.v.t.
  1. had vastgereden
  2. had vastgereden
  3. had vastgereden
  4. hadden vastgereden
  5. hadden vastgereden
  6. hadden vastgereden
o.t.t.t.
  1. zal vastrijden
  2. zult vastrijden
  3. zal vastrijden
  4. zullen vastrijden
  5. zullen vastrijden
  6. zullen vastrijden
o.v.t.t.
  1. zou vastrijden
  2. zou vastrijden
  3. zou vastrijden
  4. zouden vastrijden
  5. zouden vastrijden
  6. zouden vastrijden
en verder
  1. ben vastgereden
  2. bent vastgereden
  3. is vastgereden
  4. zijn vastgereden
  5. zijn vastgereden
  6. zijn vastgereden
diversen
  1. rijd vast!
  2. rijdt vast!
  3. vastgereden
  4. vastrijdend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for vastrijden:

VerbRelated TranslationsOther Translations
festfahren klemrijden; vastrijden blijven steken; haperen; klem komen; stokken; vast komen zitten; vastlopen