Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. luier:
  2. luieren:
  3. lui:
  4. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for luier from Dutch to English

luier:

luier [de ~] noun

  1. de luier
    the diaper; the nappy

Translation Matrix for luier:

NounRelated TranslationsOther Translations
diaper luier
nappy luier

Related Words for "luier":


Wiktionary Translations for luier:

luier
noun
  1. vocht absorberend kledingstuk dat wordt gedragen door een incontinente persoon, inz. door een baby
luier
noun
  1. absorbent garment worn by a baby, or by someone who is incontinent
  2. swaddling cloth

Cross Translation:
FromToVia
luier diaper; nappy Windel — körpernah eingesetzter Saugkörper zur Aufnahme von Urin und/oder Kot
luier diaper; nappy couche — Linge ou bande absorbante à l’usage des enfants

luieren:

luieren verb (luier, luiert, luierde, luierden, geluierd)

  1. luieren (lanterfanten; lummelen; niksen; rondhangen; nietsdoen)
    to idle; lounge around; to sit around; to lounge about

Conjugations for luieren:

o.t.t.
  1. luier
  2. luiert
  3. luiert
  4. luieren
  5. luieren
  6. luieren
o.v.t.
  1. luierde
  2. luierde
  3. luierde
  4. luierden
  5. luierden
  6. luierden
v.t.t.
  1. heb geluierd
  2. hebt geluierd
  3. heeft geluierd
  4. hebben geluierd
  5. hebben geluierd
  6. hebben geluierd
v.v.t.
  1. had geluierd
  2. had geluierd
  3. had geluierd
  4. hadden geluierd
  5. hadden geluierd
  6. hadden geluierd
o.t.t.t.
  1. zal luieren
  2. zult luieren
  3. zal luieren
  4. zullen luieren
  5. zullen luieren
  6. zullen luieren
o.v.t.t.
  1. zou luieren
  2. zou luieren
  3. zou luieren
  4. zouden luieren
  5. zouden luieren
  6. zouden luieren
diversen
  1. luier!
  2. luiert!
  3. geluierd
  4. luierend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for luieren:

VerbRelated TranslationsOther Translations
idle lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen leeglopen; vrijlopen
lounge about lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen rondlopen; rondslenteren; rondwandelen; slungelen
lounge around lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen niksen; rondhangen; rondlummelen
sit around lanterfanten; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
idle apathisch; doelloos; hol; ijdel; inactief; inhoudsloos; leeg; lethargisch; loos; lui; niet-actief; niets doend; nietszeggend; ongevuld; traag; werkschuw

Related Words for "luieren":


Antonyms for "luieren":


Related Definitions for "luieren":

  1. lekker nietsdoen1
    • hij lag te luieren in de zon1

Wiktionary Translations for luieren:


Cross Translation:
FromToVia
luieren bugger all; twiddle one’s thumbs paresser — (familier, fr) Faire le paresseux, se laisser aller à la paresse.

luier form of lui:

lui [de ~] noun, plural

  1. de lui (lieden; luitjes)
    the people; the folks

Translation Matrix for lui:

NounRelated TranslationsOther Translations
folks lieden; lui; luitjes mensen
lazy gemakzucht
people lieden; lui; luitjes mensen; natie; volk
slack kolengruis
VerbRelated TranslationsOther Translations
idle lanterfanten; leeglopen; luieren; lummelen; nietsdoen; niksen; rondhangen; vrijlopen
people bevolken
slack lijntrekken
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
idle lui; niets doend; traag; werkschuw apathisch; doelloos; hol; ijdel; inactief; inhoudsloos; leeg; lethargisch; loos; niet-actief; nietszeggend; ongevuld
lazy lui; traag; werkschuw gemakzuchtig; langzaam; lijzig; log; loom; sloom; traag
slack lui; traag; werkschuw
ModifierRelated TranslationsOther Translations
bearing no interests lui; niets doend
slow lui; traag; werkschuw aarzelend; besluitloos; dralend; langzaam; leuterig; lijzig; log; loom; slepend; sloom; talmend; traag; treuzelachtig; treuzelend; weifelend
workshy lui; traag; werkschuw

Related Words for "lui":


Antonyms for "lui":


Related Definitions for "lui":

  1. mensen1
    • dat zijn leuke lui1
  2. slaperig1
    • ik ben lui, ik ga naar bed1
  3. zonder zin om iets te doen1
    • hij maakt zich niet zo druk, hij is een beetje lui1

Wiktionary Translations for lui:

lui
adjective
  1. werkschuw, niet houden van inspanning of werk
noun
  1. lieden, mensen
lui
adjective
  1. eye: squinting because of weak muscles
  2. unwilling to work
  3. reluctant to work
noun
  1. a body of human beings; a group of two or more persons

Cross Translation:
FromToVia
lui people Leute — eine Gruppe von Personen, Menschen meist unbestimmter, aber auch bestimmter Anzahl
lui people LeuteKollektivum: die Menschen im Allgemeinen, gewöhnliche Menschen
lui lazy paresseux — Qui est naturellement enclin à éviter l’action, le travail, l’effort, à ne pas se donner de peine.

Related Translations for luier