Dutch

Detailed Translations for kwaad zijn from Dutch to Spanish

kwaad zijn:

kwaad zijn verb (ben kwaad, bent kwaad, was kwaad, waren kwaad, kwaad geweest)

  1. kwaad zijn (woedend zijn; schuimbekken)

Conjugations for kwaad zijn:

o.t.t.
  1. ben kwaad
  2. bent kwaad
  3. bent kwaad
  4. zijn kwaad
  5. zijn kwaad
  6. zijn kwaad
o.v.t.
  1. was kwaad
  2. was kwaad
  3. was kwaad
  4. waren kwaad
  5. waren kwaad
  6. waren kwaad
v.t.t.
  1. ben kwaad geweest
  2. bent kwaad geweest
  3. is kwaad geweest
  4. zijn kwaad geweest
  5. zijn kwaad geweest
  6. zijn kwaad geweest
v.v.t.
  1. was kwaad geweest
  2. was kwaad geweest
  3. was kwaad geweest
  4. waren kwaad geweest
  5. waren kwaad geweest
  6. waren kwaad geweest
o.t.t.t.
  1. zal kwaad zijn
  2. zult kwaad zijn
  3. zal kwaad zijn
  4. zullen kwaad zijn
  5. zullen kwaad zijn
  6. zullen kwaad zijn
o.v.t.t.
  1. zou kwaad zijn
  2. zou kwaad zijn
  3. zou kwaad zijn
  4. zouden kwaad zijn
  5. zouden kwaad zijn
  6. zouden kwaad zijn
diversen
  1. ben kwaad!
  2. wees kwaad!
  3. kwaad geweest
  4. kwaad zijnd
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for kwaad zijn:

VerbRelated TranslationsOther Translations
desentonar kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn blaffen; brullen; bulderen; daveren; foeteren; ketteren; schreeuwen; vloeken
enfurruñarse kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn aftobben; bouderen; een pruillip trekken; kniezen; mokken; pruilen; tobben
estar de mal humor kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn aftobben; bouderen; een pruillip trekken; pruilen
estar furioso kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn
maldecir kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn belasteren; beledigen; foeteren; ketteren; kwaadspreken; lasteren; roddelen; schelden; uitjouwen; uitmaken voor; uitschelden; verdoemen; veroordelen tot de hel; vervloeken; verwensen; vloeken
poner morritos kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn bouderen; een pruillip trekken; kniezen; mokken; pruilen
rabiar kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn foeteren; fulmineren; jachten; ketteren; opdrijven; ophitsen; opjagen; razen; te keer gaan; tekeergaan; tieren; uitvaren tegen; voortjagen; woeden
refunfuñar kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn blaffen; brullen; bulderen; daveren; foeteren; grauwen; kankeren; ketteren; protesteren; sakkeren; schreeuwen; snauwen; tegenspartelen; tegenstribbelen; uitvaren tegen; verzetten; vloeken; zemelen; zeuren
resentirse kwaad zijn; schuimbekken; woedend zijn bouderen; een pruillip trekken; pruilen

Related Translations for kwaad zijn