Summary
Dutch to Spanish:   more detail...
  1. rechtspraak:
  2. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for rechtspraak from Dutch to Spanish

rechtspraak:

rechtspraak [de ~] noun

  1. de rechtspraak (rechtspleging; recht)
    la jurisprudencia; la jurisdicción; la justicia
  2. de rechtspraak
    la jurisdicción

Translation Matrix for rechtspraak:

NounRelated TranslationsOther Translations
jurisdicción recht; rechtspleging; rechtspraak ambtsgebied; arrondissement; bestuursgebied; departement; jurisdictie; rechtsbevoegdheid; rechtsgebied
jurisprudencia recht; rechtspleging; rechtspraak jurisdictie; jurisprudentie; rechtsbevoegdheid
justicia recht; rechtspleging; rechtspraak billijkheid; eigenschap van rechtvaardigheid; gegrondheid; gerechtigdheid; gerechtigheid; justitia; justitie; recht; rechterlijke macht; rechtswezen; rechtvaardigheid; redelijkheid; schappelijkheid

Wiktionary Translations for rechtspraak:

rechtspraak
noun
  1. het proces waarin door een rechter een oordeel wordt gevormd over een rechtszaak