Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. uithaal:
  2. uithalen:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for uithaal from Dutch to English

uithaal:

uithaal [de ~ (m)] noun

  1. de uithaal (vuistslag; slag; opdonder; dreun)
    the punch

Translation Matrix for uithaal:

NounRelated TranslationsOther Translations
punch dreun; opdonder; slag; uithaal; vuistslag duw; duwtje; handtastelijkheden; harde klap; hengst; klap; klappen; lel; mep; muilpeer; opdoffer; opdonder; opdonders; opduvel; oplawaai; opstopper; peut; pons; por; ram; stoot; stootje; vuistslagen; zet
VerbRelated TranslationsOther Translations
punch doorponsen; een opdonder verkopen; hengsten; ponsen; rammen; stansen; stompen

uithaal form of uithalen:

uithalen verb (haal uit, haalt uit, haalde uit, haalden uit, uitgehaald)

  1. uithalen (leeghalen; leegmaken; ledigen)
    to take out; to remove; to drain; to empty; to clear out; to clean out; to clear; to finish
    • take out verb (takes out, took out, taking out)
    • remove verb (removes, removed, removing)
    • drain verb (drains, drained, draining)
    • empty verb (empties, emptied, emptying)
    • clear out verb (clears out, cleared out, clearing out)
    • clean out verb (cleans out, cleaned out, cleaning out)
    • clear verb (clears, cleared, clearing)
    • finish verb (finishes, finished, finishing)
  2. uithalen (loshalen)
    to take out; to pull out; to undo; to unpick
    • take out verb (takes out, took out, taking out)
    • pull out verb (pulls out, pulled out, pulling out)
    • undo verb (undoes, undid, undoing)
    • unpick verb (unpicks, unpicked, unpicking)
  3. uithalen (naar buiten halen)
    to take out
    • take out verb (takes out, took out, taking out)
  4. uithalen (uitspoken)
    to play a trick
    • play a trick verb (plays a trick, played a trick, playing a trick)
  5. uithalen (lostornen; losmaken; uittrekken; tornen; loskrijgen)
    to pull out; to untie; to unpick; to get undone
    • pull out verb (pulls out, pulled out, pulling out)
    • untie verb (unties, untied, untying)
    • unpick verb (unpicks, unpicked, unpicking)
    • get undone verb (gets undone, got undone, getting undone)

Conjugations for uithalen:

o.t.t.
  1. haal uit
  2. haalt uit
  3. haalt uit
  4. halen uit
  5. halen uit
  6. halen uit
o.v.t.
  1. haalde uit
  2. haalde uit
  3. haalde uit
  4. haalden uit
  5. haalden uit
  6. haalden uit
v.t.t.
  1. heb uitgehaald
  2. hebt uitgehaald
  3. heeft uitgehaald
  4. hebben uitgehaald
  5. hebben uitgehaald
  6. hebben uitgehaald
v.v.t.
  1. had uitgehaald
  2. had uitgehaald
  3. had uitgehaald
  4. hadden uitgehaald
  5. hadden uitgehaald
  6. hadden uitgehaald
o.t.t.t.
  1. zal uithalen
  2. zult uithalen
  3. zal uithalen
  4. zullen uithalen
  5. zullen uithalen
  6. zullen uithalen
o.v.t.t.
  1. zou uithalen
  2. zou uithalen
  3. zou uithalen
  4. zouden uithalen
  5. zouden uithalen
  6. zouden uithalen
en verder
  1. ben uitgehaald
  2. bent uitgehaald
  3. is uitgehaald
  4. zijn uitgehaald
  5. zijn uitgehaald
  6. zijn uitgehaald
diversen
  1. haal uit!
  2. haalt uit!
  3. uitgehaald
  4. uithalend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Translation Matrix for uithalen:

NounRelated TranslationsOther Translations
drain afdruipen; afdruppelen; afvoer; afvoerbuis; afvoerkanaal; afwateringsbuis; afwateringskanaal; boezem; doorlaat; regenpijp; riolering; riool; sas; schutsluisje; sluis; spui; uitdruipen; uitdruppelen; verlaat
finish afkrijgen; afwerking; einde; eindpunt; eindstreep; end; fineer; finish; finishlijn; meet; uitpraten; uitpraten tot het eind; uitspreken
remove afnemen; afstoffen; afwissen
undo terugdraaifase
VerbRelated TranslationsOther Translations
clean out ledigen; leeghalen; leegmaken; uithalen opruimen; reinigen; schoonmaken; stalmesten; uitmesten; uitplunderen; uitruimen; uitschudden
clear ledigen; leeghalen; leegmaken; uithalen afdekken; afruimen; banen; bevrijden; dechargeren; emanciperen; inklaren; klaren; ledigen; leeghalen; leegmaken; legen; onschuldig verklaren; opruimen; reinigen; ruimen; schoonmaken; schoonpoetsen; uitmesten; uitruimen; uitschakelen; uitverkopen; verlossen; verrekenen; vrijmaken; vrijpleiten; vrijspraak bepleiten; vrijspreken; vrijvechten; wissen; zuiveren
clear out ledigen; leeghalen; leegmaken; uithalen inrukken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren; opruimen; reinigen; schoonmaken; uitmesten; uitnemen; uitruimen
drain ledigen; leeghalen; leegmaken; uithalen afdruipen; afdruppelen; afscheiden; afvoeren; afwateren; droogleggen; indijken; inpolderen; leegzuigen; lozen; ontwateren; spuien; uitdruipen; uitdruppelen; uitlekken; uitscheiden; uitstoten; uitwateren; uitwerpen; uitzuigen; water afvoeren; water lozen
empty ledigen; leeghalen; leegmaken; uithalen afscheiden; afvoeren; ledigen; leegdrinken; leeggieten; leeghalen; leegmaken; legen; lozen; opdrinken; opruimen; plunderen; reinigen; ruimen; schoonmaken; spuien; uitdrinken; uitgieten; uitknijpen; uitmesten; uitnemen; uitpersen; uitruimen; uitscheiden; uitstoten; uitwateren; uitwerpen; uitzuigen; water afvoeren; water lozen
finish ledigen; leeghalen; leegmaken; uithalen aankomen; afdoen; afkrijgen; aflopen; afmaken; afronden; afsluiten; afwerken; beslissen; besluiten; beëindigen; completeren; een einde maken aan; eindigen; fiksen; finishen; garneren; in orde maken; klaarkrijgen; klaarmaken; klaarspelen; klaren; ledigen; leegdrinken; leegeten; leegmaken; naar einde toewerken; opdrinken; opeten; opgebruiken; ophouden; opkrijgen; opmaken; opruimen; opsmukken; perfectioneren; regelen; reinigen; schoonmaken; schotels garneren; stoppen; ten einde lopen; uitdrinken; uitkrijgen; uitmesten; uitpraten; uitruimen; uitspelen; uitspreken; versieren; vervolledigen; vervolmaken; volbrengen; volledig maken; volmaken; voltooien; voor elkaar krijgen
get undone loskrijgen; losmaken; lostornen; tornen; uithalen; uittrekken loskrijgen; open krijgen
play a trick uithalen; uitspoken dollen; een poets bakken; gekheid uithalen; gekscheren; grappen; malligheid uithalen; schertsen; streek uithalen
pull out loshalen; loskrijgen; losmaken; lostornen; tornen; uithalen; uittrekken afhaken; afvallen; afzeggen; afzien van; eruitstappen; opgeven; ophouden; stoppen; tevoorschijn trekken; uitnemen; uitrukken; uitscheuren
remove ledigen; leeghalen; leegmaken; uithalen aanrekenen; aanwrijven; afdoen; afhandelen; afnemen; afscheiden; afstoffen; afvoeren; afzonderen; beslechten; dalen; declineren; demonteren; disloqueren; ecarteren; iemand iets verwijten; kwalijk nemen; lichten; lozen; minder worden; minderen; ontmantelen; onttakelen; ontzetten; reinigen; roeren; schoonmaken; schoonpoetsen; stoffen; tanen; teruggaan; twist uit de weg ruimen; uit de macht ontzetten; uit elkaar halen; uit elkaar nemen; uiteen nemen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen; verhuizen; verleggen; verminderen; verplaatsen; verschikken; verschuiven; vervallen; vervoeren; vervreemden; verwijderen; verzetten; wegbrengen; wegdoen; weghalen; wegleiden; wegnemen; wegvoeren; wegwerken; zuiveren
take out ledigen; leeghalen; leegmaken; loshalen; naar buiten halen; uithalen eruit nemen; laten zien; meenemen; nemen uit; tevoorschijnhalen; tevoorschijntoveren; uitlichten; uitnemen; voordedaghalen
undo loshalen; uithalen delgen; loshaken; losknopen; loskrijgen; nullificeren; ondervangen; ongedaan maken; ontknopen; open krijgen; opheffen; te niet doen; teniet doen; tenietdoen; terugdraaien; verijdelen; vernietigen
unpick loshalen; loskrijgen; losmaken; lostornen; tornen; uithalen; uittrekken loshaken; nullificeren; ondervangen; opheffen; teniet doen; terugdraaien; vernietigen
untie loskrijgen; losmaken; lostornen; tornen; uithalen; uittrekken detacheren; losknopen; loskrijgen; losmaken; loswerken; ontknopen; ontrafelen; ontwarren; scheiden; uit de war halen; uit elkaar halen
- uitspoken
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
empty eindig; hol; ijdel; inhoudsloos; ledig; leeg; loos; nietszeggend; onbezet; ongevuld; vergankelijk; voorbijgaand; zonder inhoud
ModifierRelated TranslationsOther Translations
clear aanschouwelijk; af; afgedaan; afgelopen; begrijpelijk; bevattelijk; blank; bleek; blij; blijgeestig; blijmoedig; dartel; direct; doorschijnend; doorzichtig; duidelijk; duidelijk klinkend; fideel; flagrant; fleurig; geestig; gereed; geëindigd; helder; helderklinkend; herkenbaar; inzichtelijk; jolig; klaar; klaar als een klontje; klare; kleurig; kleurloos; kwiek; levendig; loos; lustig; monter; onbewolkt; ongekleurd; onmiskenbaar; opgeruimd; opgetogen; opgewekt; over; overduidelijk; recht door zee; regelrecht; transparant; uit; uitgelaten; verhelderend; verstaanbaar; voltooid; voorbij; vrij; vrolijk; wakker; welgemoed; zo klaar als een klontje; zonder taak; zonneklaar; zonnig

Synonyms for "uithalen":


Related Definitions for "uithalen":

  1. de steken lostrekken1
    • ga je deze trui weer uithalen?1
  2. plotseling slaan of schoppen1
    • hij haalde flink naar mij uit1
  3. doen wat niet mag1
    • wat heb jij uitgehaald, stoute jongen?1

Wiktionary Translations for uithalen:

uithalen
verb
  1. To eviscerate
  2. perform antics

Cross Translation:
FromToVia
uithalen reprint; pull back; take back; withdraw; retrieve; pull; draw back retirertirer à nouveau.