Summary
Dutch to English:   more detail...
  1. zakelijkheid:
  2. zakelijk:
  3. Wiktionary:


Dutch

Detailed Translations for zakelijkheid from Dutch to English

zakelijkheid:

zakelijkheid [de ~ (v)] noun

  1. de zakelijkheid

Translation Matrix for zakelijkheid:

NounRelated TranslationsOther Translations
business-like character zakelijkheid
matter of factness zakelijkheid nuchterheid

Related Words for "zakelijkheid":


zakelijkheid form of zakelijk:

zakelijk adj

  1. zakelijk (nuchter; koel)

Translation Matrix for zakelijk:

NounRelated TranslationsOther Translations
cool afkoeling; afstandelijkheid; beheersing; controle; frisheid; gereserveerdheid; kilte; koelheid; koelte; kou; koude; verkoeling; zelfbeheersing
VerbRelated TranslationsOther Translations
cool afkoelen; bekoelen; koel worden; koelen; verkillen; verkoelen
AdjectiveRelated TranslationsOther Translations
businesslike koel; nuchter; zakelijk
cool koel; nuchter; zakelijk afstandelijk; bedaard; flegmatisch; fris; frisjes; gaaf; gelijkmoedig; kalm; koel; koud; luchtig; mieters; onderkoeld; rustig; schitterend; stressbestendig; tof

Related Words for "zakelijk":

  • zakelijkheid, zakelijker, zakelijkere, zakelijkst, zakelijkste, zakelijke

Wiktionary Translations for zakelijk:


Cross Translation:
FromToVia
zakelijk pertinent; relevant; germane sachbezogen — an der Sache orientiert; unter Zurückstellung persönlicher/emotionaler Faktoren
zakelijk appropriate sachgerechtsachlich richtig
zakelijk commercial commercial — Qui a rapport au commerce, à la vente comme à l’achat.
zakelijk concise; brief concis — Qui exprimer quelque chose le plus clairement possible avec un nombre de mots restreint.