Remove Ads

English

Detailed Translations for take from English to Dutch

take:

to take verb (takes, took, taking)

  1. to take
    nemen
    – het grijpen of tevoorschijn halen 1
    • nemen verb (neem, neemt, nam, namen, genomen)
      • neem maar een koekje hoor!1
    pakken
    • pakken verb (pak, pakt, pakte, pakten, gepakt)
  2. to take
  3. to take (collect; take along; take away; )
    ophalen; meenemen; afnemen; afhalen; wegnemen; weghalen
    • ophalen verb (haal op, haalt op, haalde op, haalden op, opgehaald)
    • meenemen verb (neem mee, neemt mee, nam mee, namen mee, meegenomen)
    • afnemen verb (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • afhalen verb (haal af, haalt af, haalde af, haalden af, afgehaald)
    • wegnemen verb (neem weg, neemt weg, nam weg, namen weg, weggenomen)
    • weghalen verb (haal weg, haalt weg, haalde weg, haalden weg, weggehaald)
  4. to take (use; utilize; make use of; )
    gebruiken; hanteren; gebruik maken van; bezigen
    • gebruiken verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • hanteren verb (hanteer, hanteert, hanteerde, hanteerden, gehanteerd)
    • gebruik maken van verb (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • bezigen verb (bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
  5. to take (take medicine; swallow; take medication)
    innemen; medicijn innemen
  6. to take (utilize; apply; implement; )
    gebruiken; toepassen; aanwenden; benutten; aangrijpen
    • gebruiken verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • toepassen verb (pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
    • aanwenden verb (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • benutten verb (benut, benutte, benutten, benut)
    • aangrijpen verb (grijp aan, grijpt aan, greep aan, grepen aan, aangegrepen)
  7. to take (steal; expropriate; snitch; )
    stelen; pikken; verdonkeremanen; ontnemen; toeëigenen; snaaien; gappen; kapen; inpikken; roven; ontfutselen; jatten; ontvreemden; wegpikken; wegnemen; plunderen; wegkapen; benemen; achteroverdrukken; afnemen; vervreemden; verduisteren; verdonkeren; wegpakken; leegstelen
    • stelen verb (steel, steelt, stal, stalen, gestolen)
    • pikken verb (pik, pikt, pikte, pikten, gepikt)
    • verdonkeremanen verb (verdonkeremaan, verdonkeremaant, verdonkeremaande, verdonkeremaanden, verdonkeremaand)
    • ontnemen verb (ontneem, ontneemt, ontnam, ontnomen, ontnomen)
    • toeëigenen verb (eigen toe, eigent toe, eigende toe, eigenden toe, toegeeigend)
    • snaaien verb (snaai, snaait, snaaide, snaaiden, gesnaaid)
    • gappen verb (gap, gapt, gapte, gapten, gegapt)
    • kapen verb (kaap, kaapt, kaapte, kaapten, gekaapt)
    • inpikken verb (pik in, pikt in, pikte in, pikten in, ingepikt)
    • roven verb (roof, rooft, roofde, roofden, geroofd)
    • ontfutselen verb (ontfrutsel, ontfrutselt, ontfrutselde, ontfrutselden, ontfrutseld)
    • jatten verb (jat, jatte, jatten, gejat)
    • ontvreemden verb (ontvreemd, ontvreemdt, ontvreemdde, ontvreemdden, ontvreemd)
    • wegpikken verb (pik weg, pikt weg, pikte weg, pikten weg, weggepikt)
    • wegnemen verb (neem weg, neemt weg, nam weg, namen weg, weggenomen)
    • plunderen verb (plunder, plundert, plunderde, plunderden, geplunderd)
    • wegkapen verb (kaap weg, kaapt weg, kaapte weg, kaapten weg, weggekaapt)
    • benemen verb (beneem, beneemt, benam, benamen, benomen)
    • achteroverdrukken verb (druk achterover, drukt achterover, drukte achterover, drukten achterover, achterovergedrukt)
    • afnemen verb (neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
    • vervreemden verb (vervreemd, vervreemdt, vervreemdde, vervreemdden, vervreemd)
    • verduisteren verb (verduister, verduistert, verduisterde, verduisterden, verduisterd)
    • verdonkeren verb (verdonker, verdonkert, verdonkerde, verdonkerden, verdonkerd)
    • wegpakken verb (pak weg, pakt weg, pakte weg, pakten weg, weggepakt)
    • leegstelen verb (steel leeg, steelt leeg, stal leeg, stalen leeg, leeggestolen)
  8. to take (accept; abide; take on; take possession of)
    aannemen; accepteren; aanvaarden
    • aannemen verb (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
    • accepteren verb (accepteer, accepteert, accepteerde, accepteerden, geaccepteerd)
    • aanvaarden verb (aanvaard, aanvaardt, aanvaardde, aanvaardden, aanvaard)
  9. to take (accept a gift; accept)
    aannemen; aanvaarden; accepteren; cadeau aannemen
    • aannemen verb (neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
    • aanvaarden verb (aanvaard, aanvaardt, aanvaardde, aanvaardden, aanvaard)
    • accepteren verb (accepteer, accepteert, accepteerde, accepteerden, geaccepteerd)
  10. to take (serve oneself; seize; fall to; dive in)
    toegrijpen; zich bedienen; grijpen; ingrijpen; toetasten; aanpakken
    • toegrijpen verb (grijp toe, grijpt toe, greep toe, grepen toe, toegegrepen)
    • grijpen verb (grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
    • ingrijpen verb (grijp in, grijpt in, greep in, grepen in, ingegrepen)
    • toetasten verb (tast toe, tastte toe, tastten toe, toegetast)
    • aanpakken verb (pak aan, pakt aan, pakte aan, pakten aan, aangepakt)
  11. to take (utilize; apply; make use of; )
    gebruiken; aanwenden; benutten; gebruik maken van; utiliseren
    • gebruiken verb (gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
    • aanwenden verb (wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
    • benutten verb (benut, benutte, benutten, benut)
    • gebruik maken van verb (maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
    • utiliseren verb (utiliseer, utiliseert, utiliseerde, utiliseerden, geutiliseerd)
  12. to take (bear)
    verstuwen; verstouwen
    • verstuwen verb (verstuw, verstuwt, verstuwde, verstuwden, verstuwd)
    • verstouwen verb (verstouw, verstouwt, verstouwde, verstouwden, verstouwen)
  13. to take (occupy; use up)
    – require (time or space) 2
    bezetten
    • bezetten verb (bezet, bezette, bezetten, bezet)

Conjugations for take:

present
  1. take
  2. take
  3. takes
  4. take
  5. take
  6. take
simple past
  1. took
  2. took
  3. took
  4. took
  5. took
  6. took
present perfect
  1. have taken
  2. have taken
  3. has taken
  4. have taken
  5. have taken
  6. have taken
past continuous
  1. was taking
  2. were taking
  3. was taking
  4. were taking
  5. were taking
  6. were taking
future
  1. shall take
  2. will take
  3. will take
  4. shall take
  5. will take
  6. will take
continuous present
  1. am taking
  2. are taking
  3. is taking
  4. are taking
  5. are taking
  6. are taking
subjunctive
  1. be taken
  2. be taken
  3. be taken
  4. be taken
  5. be taken
  6. be taken
diverse
  1. take!
  2. let's take!
  3. taken
  4. taking
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they

take [the ~] noun

  1. the take (profit; benefit; advantage; )
    het profijt; de baat; de winst; het gewin

Related Words for "take":


Synonyms for "take":


Antonyms for "take":


Related Definitions for "take":

  1. the act of photographing a scene or part of a scene without interruption2
  2. the income or profit arising from such transactions as the sale of land or other property2
  3. be stricken by an illness, fall victim to an illness2
    • She took a chill2
  4. remove something concrete, as by lifting, pushing, or taking off, or remove something abstract2
    • take the gun from your pocket2
  5. ascertain or determine by measuring, computing or take a reading from a dial2
    • take a pulse2
    • A reading was taken of the earth's tremors2
  6. take on a certain form, attribute, or aspect2
    • His voice took on a sad tone2
    • The story took a new turn2
  7. be seized or affected in a specified way2
    • take sick2
    • be taken drunk2
  8. be a student of a certain subject2
  9. interpret something in a certain way; convey a particular meaning or impression2
    • How should I take this message?2
    • You can't take credit for this!2
  10. accept or undergo, often unwillingly2
    • We took a pay cut2
  11. pick out, select, or choose from a number of alternatives2
  12. take into consideration for exemplifying purposes2
  13. take as an undesirable consequence of some event or state of affairs2
    • The hard work took its toll on her2
  14. lay claim to; as of an idea2
    • She took credit for the whole idea2
  15. make a film or photograph of something2
    • take a scene2
  16. obtain by winning2
    • Winner takes all2
    • He took first prize2
  17. point or cause to go (blows, weapons, or objects such as photographic equipment) towards2
  18. serve oneself to, or consume regularly2
    • I don't take sugar in my coffee2
  19. get into one's hands, take physically2
    • Can you take this bag, please2
  20. have sex with; archaic use2
    • He had taken this woman when she was most vulnerable2
  21. travel or go by means of a certain kind of transportation, or a certain route2
    • He takes the bus to work2
    • She takes Route 1 to Newark2
  22. proceed along in a vehicle2
  23. occupy or take on2
    • She took her seat on the stage2
    • We took our seats in the orchestra2
    • She took up her position behind the tree2
  24. take somebody somewhere2
    • can you take me to the main entrance?2
  25. head into a specified direction2
    • The escaped convict took to the hills2
  26. take something or somebody with oneself somewhere2
  27. experience or feel or submit to2
  28. to get into a position of having, e.g., safety, comfort2
    • take shelter from the storm2
  29. take into one's possession2
    • We are taking an orphan from Romania2
    • I'll take three salmon steaks2
  30. take by force2
    • Hitler took the Baltic Republics2
    • The army took the fort on the hill2
  31. buy, select2
    • I'll take a pound of that sausage2
  32. engage for service under a term of contract2
    • We took an apartment on a quiet street2
    • Shall we take a guide in Rome?2
  33. receive or obtain regularly2
    • We take the Times every day2
  34. make use of or accept for some purpose2
    • take a risk2
    • take an opportunity2
  35. receive willingly something given or offered2
  36. admit into a group or community2
  37. require (time or space)2
    • It took three hours to get to work this morning2
  38. assume, as of positions or roles2
    • She took the job as director of development2
  39. develop a habit2
    • He took to visiting bars2
  40. carry out2
    • take action2
    • take steps2
    • take vengeance2
  41. require as useful, just, or proper2
    • It takes nerve to do what she did2
  42. be capable of holding or containing2
    • This box won't take all the items2
  43. have with oneself; have on one's person2
    • She always takes an umbrella2
  44. be designed to hold or take2
    • This surface will not take the dye2

External Machine Translations:
Images:

Related Translations for take



Remove Ads

Remove Ads