Detailed Translations for take from English to Dutch
take:
-
to take
nemen
– het grijpen of tevoorschijn halen
1
-
nemen
verb
(neem, neemt, nam, namen, genomen)
-
to take
-
ophalen;
meenemen;
afnemen;
afhalen;
wegnemen;
weghalen
-
ophalen
verb
(haal op, haalt op, haalde op, haalden op, opgehaald)
-
meenemen
verb
(neem mee, neemt mee, nam mee, namen mee, meegenomen)
-
afnemen
verb
(neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
-
afhalen
verb
(haal af, haalt af, haalde af, haalden af, afgehaald)
-
wegnemen
verb
(neem weg, neemt weg, nam weg, namen weg, weggenomen)
-
weghalen
verb
(haal weg, haalt weg, haalde weg, haalden weg, weggehaald)
-
gebruiken;
hanteren;
gebruik maken van;
bezigen
-
gebruiken
verb
(gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
-
hanteren
verb
(hanteer, hanteert, hanteerde, hanteerden, gehanteerd)
-
gebruik maken van
verb
(maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
-
bezigen
verb
(bezig, bezigt, bezigde, bezigden, gebezigd)
-
-
gebruiken;
toepassen;
aanwenden;
benutten;
aangrijpen
-
gebruiken
verb
(gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
-
toepassen
verb
(pas toe, past toe, paste toe, pasten toe, toegepast)
-
aanwenden
verb
(wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
-
benutten
verb
(benut, benutte, benutten, benut)
-
aangrijpen
verb
(grijp aan, grijpt aan, greep aan, grepen aan, aangegrepen)
-
stelen;
pikken;
verdonkeremanen;
ontnemen;
toeëigenen;
snaaien;
gappen;
kapen;
inpikken;
roven;
ontfutselen;
jatten;
ontvreemden;
wegpikken;
wegnemen;
plunderen;
wegkapen;
benemen;
achteroverdrukken;
afnemen;
vervreemden;
verduisteren;
verdonkeren;
wegpakken;
leegstelen
-
stelen
verb
(steel, steelt, stal, stalen, gestolen)
-
pikken
verb
(pik, pikt, pikte, pikten, gepikt)
-
verdonkeremanen
verb
(verdonkeremaan, verdonkeremaant, verdonkeremaande, verdonkeremaanden, verdonkeremaand)
-
ontnemen
verb
(ontneem, ontneemt, ontnam, ontnomen, ontnomen)
-
toeëigenen
verb
(eigen toe, eigent toe, eigende toe, eigenden toe, toegeeigend)
-
snaaien
verb
(snaai, snaait, snaaide, snaaiden, gesnaaid)
-
gappen
verb
(gap, gapt, gapte, gapten, gegapt)
-
kapen
verb
(kaap, kaapt, kaapte, kaapten, gekaapt)
-
inpikken
verb
(pik in, pikt in, pikte in, pikten in, ingepikt)
-
roven
verb
(roof, rooft, roofde, roofden, geroofd)
-
ontfutselen
verb
(ontfrutsel, ontfrutselt, ontfrutselde, ontfrutselden, ontfrutseld)
-
jatten
verb
(jat, jatte, jatten, gejat)
-
ontvreemden
verb
(ontvreemd, ontvreemdt, ontvreemdde, ontvreemdden, ontvreemd)
-
wegpikken
verb
(pik weg, pikt weg, pikte weg, pikten weg, weggepikt)
-
wegnemen
verb
(neem weg, neemt weg, nam weg, namen weg, weggenomen)
-
plunderen
verb
(plunder, plundert, plunderde, plunderden, geplunderd)
-
wegkapen
verb
(kaap weg, kaapt weg, kaapte weg, kaapten weg, weggekaapt)
-
benemen
verb
(beneem, beneemt, benam, benamen, benomen)
-
achteroverdrukken
verb
(druk achterover, drukt achterover, drukte achterover, drukten achterover, achterovergedrukt)
-
afnemen
verb
(neem af, neemt af, nam af, namen af, afgenomen)
-
vervreemden
verb
(vervreemd, vervreemdt, vervreemdde, vervreemdden, vervreemd)
-
verduisteren
verb
(verduister, verduistert, verduisterde, verduisterden, verduisterd)
-
verdonkeren
verb
(verdonker, verdonkert, verdonkerde, verdonkerden, verdonkerd)
-
wegpakken
verb
(pak weg, pakt weg, pakte weg, pakten weg, weggepakt)
-
leegstelen
verb
(steel leeg, steelt leeg, stal leeg, stalen leeg, leeggestolen)
-
aannemen;
accepteren;
aanvaarden
-
aannemen
verb
(neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
-
accepteren
verb
(accepteer, accepteert, accepteerde, accepteerden, geaccepteerd)
-
aanvaarden
verb
(aanvaard, aanvaardt, aanvaardde, aanvaardden, aanvaard)
-
aannemen;
aanvaarden;
accepteren;
cadeau aannemen
-
aannemen
verb
(neem aan, neemt aan, nam aan, namen aan, aangenomen)
-
aanvaarden
verb
(aanvaard, aanvaardt, aanvaardde, aanvaardden, aanvaard)
-
accepteren
verb
(accepteer, accepteert, accepteerde, accepteerden, geaccepteerd)
-
-
toegrijpen;
zich bedienen;
grijpen;
ingrijpen;
toetasten;
aanpakken
-
toegrijpen
verb
(grijp toe, grijpt toe, greep toe, grepen toe, toegegrepen)
-
-
grijpen
verb
(grijp, grijpt, greep, grepen, gegrepen)
-
ingrijpen
verb
(grijp in, grijpt in, greep in, grepen in, ingegrepen)
-
toetasten
verb
(tast toe, tastte toe, tastten toe, toegetast)
-
aanpakken
verb
(pak aan, pakt aan, pakte aan, pakten aan, aangepakt)
-
gebruiken;
aanwenden;
benutten;
gebruik maken van;
utiliseren
-
gebruiken
verb
(gebruik, gebruikt, gebruikte, gebruikten, gebruikt)
-
aanwenden
verb
(wend aan, wendt aan, wendde aan, wendden aan, aangewend)
-
benutten
verb
(benut, benutte, benutten, benut)
-
gebruik maken van
verb
(maak gebruik van, maakt gebruik van, maakte gebruik van, maakten gebruik van, gebruik gemaakt van)
-
utiliseren
verb
(utiliseer, utiliseert, utiliseerde, utiliseerden, geutiliseerd)
-
to take (bear)
-
– require (time or space)
2
Conjugations for take:
present
- take
- take
- takes
- take
- take
- take
simple past
- took
- took
- took
- took
- took
- took
present perfect
- have taken
- have taken
- has taken
- have taken
- have taken
- have taken
past continuous
- was taking
- were taking
- was taking
- were taking
- were taking
- were taking
future
- shall take
- will take
- will take
- shall take
- will take
- will take
continuous present
- am taking
- are taking
- is taking
- are taking
- are taking
- are taking
subjunctive
- be taken
- be taken
- be taken
- be taken
- be taken
- be taken
diverse
- take!
- let's take!
- taken
- taking
1. I, 2. you, 3. he/she/it, 4. we, 5. you, 6. they
Related Words for "take":
Synonyms for "take":
Antonyms for "take":
Related Definitions for "take":
-
the act of photographing a scene or part of a scene without interruption2
-
the income or profit arising from such transactions as the sale of land or other property2
-
be stricken by an illness, fall victim to an illness2
-
remove something concrete, as by lifting, pushing, or taking off, or remove something abstract2
-
ascertain or determine by measuring, computing or take a reading from a dial2
-
take on a certain form, attribute, or aspect2
-
be seized or affected in a specified way2
-
be a student of a certain subject2
-
interpret something in a certain way; convey a particular meaning or impression2
-
accept or undergo, often unwillingly2
-
pick out, select, or choose from a number of alternatives2
-
take into consideration for exemplifying purposes2
-
take as an undesirable consequence of some event or state of affairs2
-
lay claim to; as of an idea2
-
make a film or photograph of something2
-
obtain by winning2
-
point or cause to go (blows, weapons, or objects such as photographic equipment) towards2
-
serve oneself to, or consume regularly2
-
get into one's hands, take physically2
-
have sex with; archaic use2
-
travel or go by means of a certain kind of transportation, or a certain route2
-
proceed along in a vehicle2
-
occupy or take on2
-
take somebody somewhere2
-
head into a specified direction2
-
take something or somebody with oneself somewhere2
-
experience or feel or submit to2
-
to get into a position of having, e.g., safety, comfort2
-
take into one's possession2
-
take by force2
-
buy, select2
-
engage for service under a term of contract2
-
receive or obtain regularly2
-
make use of or accept for some purpose2
-
receive willingly something given or offered2
-
admit into a group or community2
-
require (time or space)2
-
assume, as of positions or roles2
-
develop a habit2
-
carry out2
-
require as useful, just, or proper2
-
be capable of holding or containing2
-
have with oneself; have on one's person2
-
be designed to hold or take2
External Machine Translations:
Images:
Related Translations for take